Haar man

Ik leef sinds een paar jaar als vrijgezel, de nieuwere aanduiding voor dit type mens is alleengaand, wederom afgeleid van alleenstaand, wat een synoniem is voor vrijgezel. Vrij klinkt goed vindt ik persoonlijk. Gezel klinkt jong, maagdelijk. Ik ben niet meer jong en ook niet maagdelijk zoals uit het navolgende mag blijken.

Ik heb 16 jaar in Duitsland gewoond. Ik leefde daar onder andere samen met een vrouw en haar dochter in een voor duitse begrippen provincie stad. Dan moet je denken aan een populatie van zo ongeveer zevenhonderdduizend mensen. Ergens in het midden Duitsland dus.

We waren bezig onze nieuwe woning op te knappen. We woonden op dat moment nog in een vrijstaand huis aan de rand van de stad. We gingen naar een etage woning in het zuidelijk deel van de stad, dit omdat we uit de andere woning gekocht waren. Deze moest leeg opgeleverd worden en wij zaten er in. Dus werd ons een bedrag aangeboden, waarvoor wij bereid waren te verhuizen. We hadden snel een andere woning gevonden. Deze moest hier en daar opgeknapt worden. Zo was er in de onze toekomstige woonkamer een fotowand. Het tafereel een strand op de foto was oranje gekleurd, door de ondergaande zon. Verdeeld over 6 banen behang. Ik was aan het werk om de derde baan er af te krabben, kwam er ineens een gedachte bij me op. Nu zou ik deze gedachte af doen als een paniekaanval. Toen der tijd was ik nog niet zo wijs. Ik schrok erg van deze gedachte “als ik hier bij haar blijf, ga ik dood. Net zoals haar vader, op jonge leeftijd, bij haar moeder was overleden.

Misschien was de term heen gegaan wel toepasselijker, wanneer er een gelijkenis was tussen de dynamiek van de relatie die haar ouders hadden en de manier waarop wij er in slaagde, onze relatie dynamisch gezien, een vorm gaven. Dus was “heen gegaan” misschien wel de enigste oplossing. Een waar ik zoals gezegd, nog al van schrok. Haar vader die voor hij heen ging, erg vaak sliep. Ook ik had steeds meer last van vermoeidheid. Misschien wel meer uit verveling dan van uit een andere oorzaak. Hij ging als gevolg van een hersentumor. Ik was er nog en stond het behang af te krabben van een muur in een kamer waar ik met haar zou samenzijn, de relatie stond al niet bol van levendigheid. Maar de gedachte bleef in mij hangen als een zwaard van Damocles. “als ik hier bij haar blijf, ga ik dood”. Bij wat ik ook met haar samen deed op de een of andere manier kwam deze gedachte elke keer weer naar boven. Geen ontkomen aan. Uiteindelijk was de enigste manier om er constructief van af te komen, de relatie te beëindigen.

Dit werd me duidelijk op het moment dat ik een andere vrouw ontmoette en plotseling weer een gevoel van levendigheid in ontstond.

Het werd een op afstand hartstochtelijke relatie, waarin zij nooit loskwam van haar man en ik steeds meer in een spiraal van depressieve gevoelens terecht kwam. Dit groeide uit tot een verwarde toestand op een ijskoud station in Hannover tijdens een sneeuw bui. Waarin ik me met erg veel moeite uiteindelijk de gedachte: nu voor de trein te springen bijna niet meer kon onderdrukken.

In plaats er voor te springen ben ik toen in de trein gestapt, naar Nederland, daar aan het koude strand aangekomen, kwam ik in een café terecht en tegenover mij zat een gezelschap druk met elkaar te praten. Op een gegeven moment keek een vrouw naar me op en lachte. Meer niet.

Ik werd van deze geste zo warm van dat ik dacht “ik blijf bestaan”.

Om verder te komen, heb ik na veel aarzelen het contact met, die vrouw waar ik mijn hart aan verloren had, verbroken en het heeft me jaren gekost om van dat gevoel van verbonden te zijn met haar, los te komen. De uiteindelijk destructieve ontmoeting en de gevolgen daar van hebben toen een deel van mijn ziel gevreten.

Dan nu, het is zondag middag en ik heb last van het zondagmiddag vrijgezellen syndroom. Dit betekend zoveel als, Neuspeuterend op de bank zitten en denken dat iedereen met een partner het veel en veel gezelliger heeft in het leven, dan ik op dit moment. Dat gevoel verdwijnt spontaan op de maandag ochtend wanneer ik de aan een partner gelieerde collega’s hoor vertellen over hun belevenissen in het afgelopen weekend.

Deze zondag besloot ik dan ook in een poging dit gevoel te ontlopen naar een café te gaan en daar op mijn gemak wat te drinken een beetje naar mensen kijken en luisteren naar de gesprekken om me heen. Zo gezegd zo gedaan. Ik heb me geïnstalleerd in een café op een plein, uitkijkend op een grote leegstaande kerk.

Plotseling draait de deur open, de vrouw die daar binnen stapt is die, die ik jaren geprobeerd heb te vergeten. Acda en de Munnik hebben in een van hun liederen ooit is een zin gezongen die me nu bespringt. “Oude liefde is als de smaak van goedkope wijn”. Klopt, de schrik slaat me om het hart en de eerste impuls verdwijnen onder de tafel, ik onderdruk dit en kijk haar aan als ze langs mijn tafeltje loopt, met een blik,

“jou ken ik toch maar waarvan”. Zij ziet me zitten en zegt “he jij hier, hoe is het met jou” “Goed” antwoord ik onzeker. “Mag ik bij je gaan zitten”. “Ja” antwoord ik kort.

Even kijken we elkaar aan, mijn gedachten produceren beelden van rusteloze herinneringen over pijn onzekerheid en korte momenten van innig, intens geluk. Als ze zit vraagt ze opnieuw hoe het gaat en ze lacht kort naar me.

Ze gangetje, eigenlijk wel goed, zeg ik mezelf overtuigend. Haar Slavische jukbeenderen komen daarbij net als in mijn herinnering naar voren, mooi is ze.

Uwe, loopt hier nog ergens in de stad rond, we hebben hier afgesproken, hij zal direct ook wel binnen komen. Het is als of iemand mij, met een voor slag hamer op mijn hoofd slaat. Na zoveel geleden pijn van voornamelijk mijn en ook een beetje haar kant, is het toch onmogelijk dat zij nog steeds met dat watje is getrouwd, denk ik bij komend van de slag op mijn hoofd. Ik realiseer me dat ik dus tussen nu en het moment dat hij binnenkomt, angstvallig de deur in de gaten zal houden.

Ik moet bewegen, dus sta ik op en loop naar de bar, loop weer terug en vraag of zei ook wat wil drinken. “Een cappuccino”, natuurlijk, ik weet het een cappuccino. Ik loop weer terug naar de bar en bestel een cappuccino en een espresso. Als ik het kleine kopje op tafel zet vergooi ik bijna de helft ervan op het schoteltje, in mijn onhandigheid weer nonchalant te gaan zitten zodat het niet opvalt dat ik onzeker ben.

Als we weer tegenover elkaar zitten, schiet het me weer te binnen. Ik had eerder bij haar weg moeten gaan, zelf het initiatief nemen in een zo wie zo verloren strijd, wij hadden samen namelijk geen kinderen, dat watje met haar wel. Daar kwam ik niet tegen op. Daardoor kwam ik uiteindelijk op het station aan, hij bij haar in bed op een tweepersoonskussen. Uiteindelijk doorbreekt ze mijn gedachte, met de vraag, waarom ik op zo een rot manier afscheid heb genomen van haar. Ik lach een beetje verlegen en probeer een passend antwoord te vinden, wat me niet te binnen schiet. Haar telefoon gaat over ze pakt hem en kijkt er naar, mijn man zegt ze, glimlachend naar mij. Hallo uwe, ja is goed dan kom ik nu daar heen. Ze kijkt me aan en zegt “hij heeft een ander café ontdekt en zit daar met de kinderen”. Zo was het ik herinner het me weer. Ze zegt niets meer, maar pakt haar tas en staat op. Het ga je goed, ja antwoord ik, jij ook. Ze gaat.

Langzaam sta ik op, ik wil bewegen, wil betalen, wil weg. Als ik sta adem ik eens helemaal door, ik realiseer me dat het zondagmiddag vrijgezellen syndroom, me op dit moment veel houvast bied. Ik blijf in ieder geval leven. Deze gedachte geeft me in ieder geval iets terug van voor dat ik haar tegen kwam, ik betaal en ga.

Marcel de Wit