Kerstavond

Inspecteur Tiemersma ging zitten en schakelde de televisie aan. Het was kerstavond, een vooravond van gezelligheid. Het voelen van je hoort bij een familie je hoort bij elkaar.

Woede, voor hem was het sinds veertig jaar dezelfde kwaal. Hij was sinds veertig jaar getrouwd. Eigenlijk vond hij dat een fout, die hem na vier jaar getrouwd zijn duidelijk was geworden. Het had hem veel moeite gekost dit voor zich zelf te geloven. Hij begreep toen wel dat het zo was.

Even zo goed had hij er zich bij neer gelegd, niet van haar te scheiden, misschien uit angst voor de gevolgen, betalen moest hij nu ook. Misschien was het nu ook makkelijker, zijn was werd gedaan, zijn overhemden hingen gestreken in de kast, het eten was klaar als hij er was.

Hij hoefde op deze belangrijke behoefte van vanzelfsprekendheid niet te wachten. Hij was getrouwd met iemand die dat voor hem vervulde zonder daar erg veel storende kritiek op te hebben.

Zijn ontbijt, dat maakte hij altijd zelf, hij had er geen idee van hoe dat anders zou kunnen zijn.

Enige tijd geleden kwam hij een leuke jonge vrouw tegen, in zijn geest was hij erg met haar bezig geweest en dit resulteerde in een verliefdheid, naar haar toe. Hij voelde zich als een kleine jongen die wat stiekems deed en daar erg van genoot. Ondanks dat werd hij af en toe badend in het zweet, wakker nachts als hij over haar gedroomd had. Angstig, misschien had hij zich zelf wel verraden, stond zijn vrouw in teleurgestelde ontreddering, naar hem te kijken met in haar geest een hakbijl.

Hij wist dat zijn vrouw erg vast sliep en licht snurkte, hij werd eerder wakker van haar dan zij van hem.

Wat de kerst en kerst avond betrof vertelde hij zijn vrouw elk jaar weer de zelfde leugen voor rust en het tactisch ontwijken van de op gelegde gezelligheid. Ook zijn vrouw deed aan deze gezamenlijke traditie mee. Hij vertelde haar dat zijn rang het met zich mee bracht dat hij op geroepen kon worden met kerstmis door zijn werk, dat hij er dan naar toe moest. Zijn vrouw keifde retorisch dat ook andere dit zouden kunnen doen. Dat het getuigde van een slechte teamgeest wanneer hij altijd met kerstmis deze dienst deed. Hij gaf dit toe en daarmee was het thema afgesloten. Feit bleef dat hij zich altijd als eerste melde voor deze roepdienst.

Inspecteur Tiemersma, deed dienst bij de moord commissie van de politie in zijn stad. Het was rustig, dit in vergelijk tot de tijd, de vooravond van het nieuwe jaar. Dit deed mensen altijd activeren om nog van alles af te maken binnen dit jaar. Het weer was grijs en nat koud. Dit weer houdt je er van om een moord te plegen, dacht Tiemersma, eerder weer om je verder in je depressie terug te trekken.

Zijn vrouw onderbrak zijn mijmering, “je moet je nu gaan omkleden Ger, mijn broer en zus zijn onderweg hier heen.

Hij draaide zich om, liep naar boven deed de kast open, niet voor dat hij zich zelf gespiegeld in de kast deur had zien staan. Een schemering van wat hij was. In gedachten wenste hij zich zelf een vrolijk kerstfeest, wetend en voelend dat hij ergens anders wilde zijn, zijn verliefdheid achterna, warmte breidde zich uit in zijn lichaam. De stem van zijn vrouw doorkruiste deze warme gedachten, ben je bijna klaar Ger? Hij zuchtte en riep terug, ja een momentje nog.

Hij keek zich zelf in de spiegel aan en hij dacht opnieuw aan de laatste keer dat hij met haar intiem was geweest. Hij haatte die ambivalente gedachten, hoopte dat het hem werd afgenomen zelf een beslissing te moeten nemen en dat hij door een zege van het lot samen zou kunnen zijn met zijn vriendin, het leven voelend. Hij hoorde zowel de deurbel als de telefoon gaan.

Zijn vrouw riep hem alsnog dit keer voor de telefoon. Hij liep de trap af, zijn das nog ombindend, nam de telefoon over van zijn vrouw en zag hoe zijn zwager en de zuster van zijn vrouw de deur binnen kwamen terwijl hij de stem van de dienst doende agent in zijn oor hoorde. U spreekt met wachtmeester Petersen, ik moet u jammer genoeg storen, dat spijt me maar u staat boven aan de lijst, er is een dode gevonden in de korte steeg, nummer 12 derde etage. Ik kom antwoordde Tiemersma.

Hij ergerde zich aan de weinig vormgevende stem van de wachtmeester, het had een stem van iedereen kunnen zijn. Niets persoonlijks. Hij had het met kontour loos zijn moeilijk. Hij keek zijn vrouw aan en zei het spijt me ze hebben me nodig. Wachtte nu een moment, dan kwam de reactie die hij verwachtte. Met een schrille van woede op gezette stem “Je bent zeker de enigste binnen je Korps die er heen kan. Ik wacht niet op je met eten alles verpieterd anders, de hele tijd loop al te hangen en doe je niks. Alles moet ik je tien keer vragen. Hij besloot niet te wachten op verder commentaar.

Zijn gevoel van schuld blokkeerde hem in een adequate reactie. Hij trok een wintermantel aan, buiten was het droog en koud. Toen hij bij zijn auto was aangekomen, had hij zich een sigaret aangestoken, hij opende de deur en stapte in. Het was rustig op straat, achter de ramen kon je de versierde en verlichtte kerstbomen zien. In zijn fantasie zag hij beelden van kinderen die gelukkig om de boom heen zaten, voelde zich zelf treurig en eenzaam. Hij was teleurgesteld daarover dat hij zo leefde, als hij dat deed. Dan schudde hij dit van zich af en dacht dat het geen avond was om een mens om te brengen.

Hij stopte op het hem doorgegeven adres. Een jonge politieagente stond voor de deur, hij keek haar kort aan en vond dat ook zij een treurige blik in haar ogen had. Ze is te jong voor dit werk, dacht hij. Met een zachte vloeiende stem begroette ze hem, goedenavond, u moet op de derde etage zijn eerste deur rechts. Tiemersma luisterde verder niet meer, ging aan haar voorbij.

In zijn maag draaide zich iets en hij voelde zich angstig, alsof hij plotseling een gevoel kreeg van iets vreselijks. Hij kwam in een schone en opgeruimde woning, die niet de indruk maakte dat er hier werkelijk iemand leefde. In de hoek stond een kleine elektrische kerstboom, een tafel, een kapotte stoel, een op gemaakt bed, de kleur van de wanden was wit, licht. Het rook er weerzinwekkend zoet. Op het tapijt lag een vrouw, het werd hem teveel, misselijk en duizelig keek hij naar haar. Herkende de vormen van het lichaam en wist wie het was, ondanks dat er van het gezicht dat hij lief had niets meer over is. Dit omdat het was weg geschoten.

Copyright © Marcel de Wit 2009