De ontmoeting met een Aalscholver

Aalscholver
Het was warm vandaag, augustus de warmste dag. Het was een dag dat de zon aan me
trok, de warmte bleef hangen. Deze zinderende warmte ze doortrok mij, zien kon je het.
Als ik voor me uit keek zag ik haar vibreren. Niets was voor de warmte een taboe.
Op een bankje zat ik, dromerig voor me uitkijkend. Voor me, een brede traag stromende
rivier. Aan de oevers kon ik boompjes zien,die als een paar bij elkaar stonden.
Ze versprongen in het landschap. De uiterwaarden met zijn koeien even zo traag grazend
als ik droomde, schaduw zoekend bij die zelfde boompjes. Op de rivier die zich voorttrok,
ploeterde een boot, zich langzaam tegen de stroom inwerkend.
Naast mij was een oudere man komen zitten. Hij had een bril op, rook een beetje ongewassen, eigenlijk te warm gekleed voor de tijd van het jaar. Zijn zilveren haren lagen plat over zijn hoofd, in het midden afgedekt door een zakdoek die doordrongen was van het zweet. De snor onder zijn neus was grijs maar verried de kleur die zijn haar vroeger gehad had moeten hebben. Zijn wenkbrauwen, de haren groeiden eigenwillig elk een kant op. Het was duidelijk dat hij er weinig aan deed. Zijn nagels waren lang, onverzorgd. Ik schatte hem een jaar of tachtig.
Eerst kort ervoor toen hij de dijk op kwam hompelen, was er in zijn grootte iets dat, aan een vroeger deed denken. Misschien een eenzaam verleden. Wel getrouwd en kinderen maar toch nooit gedeeld, ging er door mijn hoofd. aalscholver bij ontmoeting
Misschien ook wel een verleden dat verborgen moest blijven, wat leefde in een eigen donkere hoek. Hij er voor weg lopend, toch ook omcirkeld door wachters in uniform, grijze, groene uniformen met “stahlhelmen” op. Gezichten zonder leven met de dood als compagnon. Gezichten die donker waren, uit geholde ogen, koude uitstralend. Een doel dienend. Bewaking.
De oude man rukte een beetje op, dichter bij mij. Zonder me aan te kijken begon hij tegen me te praten; deze rivier, zo begon hij, stroomt uit het hart van een land waar ik een hekel aan heb. Toch was mijn moeder daar, ik was daar, mijn zoon was daar. Nooit gedacht, noch gewenst. Ik ben gegaan, zoals zo velen met mij verplicht in die tijd. Voor sommige was het in het begin het beloofde land. Later veranderde het in een muil die niet dicht ging met een groot alles verterend vuur erachter.
Niet meteen begrijpend keek ik hem aan. Hij erkende dit, gnuifde met zijn neus en lachte toen plotseling heel vriendelijk. Ja, ik begrijp het, ik was in mijn gedachten verdwaald en u bent daar nooit geweest. Het beeld in mij werd anders.
Hij keek me nog steeds aan. Ja wel, zei hij, jij was er niet bij, ik wel, hij, mijn zoon, ook niet. Maar woonde er wel.
Opnieuw keek ik hem verbaasd aan, zweeg toch. Mijn zoon bedoel ik. Ik heb drie kinderen eigenlijk vier, twee dochters en een zoon. De eerste is dood geboren. Die zijn na de oorlog geboren. Bij een andere vrouw dan die, waar toen mijn hart naar uit ging maar ik hield wel van haar. Dat was toen, zei hij dat moest duidelijk zijn, toen ik gevangen was.
Ja, jij zit me nu aan te kijken maar met toen bedoelde ik de tweede wereld oorlog , Hitler Duitsland. Midden in de nacht hebben ze mij van het bed getild, gesleept. Werd ik op transport gezet. Papieren had ik niet, de Nederlandse politie, trok me mee samen met de Duitse. Ze moesten met hun meewerken die Nederlanders, het zou hun, hun baan of zelfs wel het leven van hun of dat van hun echtgenotes gekost hebben, hadden ze geweigerd. Misschien was het zo, misschien ook niet. In ieder geval had ik geen papieren bij me. In Bad-Bentheim aangekomen, net over wat nu nog de grens is, werd ik voor de eerste keer in elkaar geslagen, om dat ik geen papieren bij me had. Hier na kreeg ik dan een papieren. Geen kleren had ik bij me, niets. Naar Bremen vervoerde ze mij. Werken, dwangarbeid.
Een onbestendig gevoel maakte zich van mij meester. Iets van herkenning. Duitsland, een rijk land aan cultuur, veelzijdige keuze uit woorden, lekker bier, goed eten en veel aardige mensen. Een land wat me de mogelijkheid geboden had mezelf te leren kennen. Een andere kant te beleven, te ontwikkelen. Te studeren, een rijbewijs te halen. Mooie duitse vrouwen te zien en ze te voelen. Te genieten van het glooiende gele landschap. De Duitse feesten op boerderijen en Duitse mannen, die vrienden werden. Ja die andere “ewig gestern” ben ik ook wel tegen gekomen, voornamelijk als ik werkte, die dachten dat Nederland een provincie was van Duitsland. Of die met een tatoeage op hun arm met een bloedgroep en nog wat geloof ik. Ook zij dachten dat het nooit had moeten veranderen. Dat ze gelijk hadden. Sommige dachten er anders over schaamde zich, voelden zich schuldig, wilde er niet over praten. Jongeren die door de omstandigheden zich een andere weg kozen, die openlijk racisme en geweld pleegden. Vrouwen die een gestoord leven achter de rug hadden, zij waren verkracht door hun bezetter, of bevrijder zoals ze later genoemd werden. De rook, die er hing, stonk in het concentratie kamp waar ik was, tijdens een week over het “fascisme”, nog steeds herkenbaar. Een examen over collaboratie in Nederland. Een verhaal over de bestuurder van de trein, die vol met mensen reed van uit mijn land, naar het concentratie kamp. De piloot die bommen gooide op de steden. Steden waar, in de oude binnenstad nu, nieuwe gebouwen staan. Steden zonder binnensteden. Boeken die ik las “de ss staat” alles leek altijd een verhaaltje, het onvoorstelbare dat het heeft kunnen plaatsvinden. Dat het werkelijk heeft plaatsgevonden. In dat land met zijn mooie glooiende heuvels zomers in het geel. Ik had het er goed, ook al bleef ik leeg en op zoek. Nee, nee gevonden heb ik het niet. Dromend over de mogelijkheden die er zijn om het volgende te gaan doen was mijn grootste passie.
De stem van de man rukte me plotseling weer terug “Tijdens mijn gedwongen verblijf in de stad vol van wapen industrie, was er elke dag een verplicht luisteren naar propaganda. Altijd en overal. Morgens om zeven uur werd ik opgehaald door de bewakers en we liepen dan in een groep naar de fabriek, waar we aan het werk werden gezet.
Voortdurend was er toezicht, je mocht eigenlijk niet praten met een ander. Een mager soepje van aardappelen en of brood, werd er middags gegeven. Mensen met allerlei nationaliteiten. Ik heb daar Russchisch Fins of pools geleerd.
Een vrouw ben ik daar tegen gekomen. Zij liet mij zien wat het is man te zijn. Ze kwam uit België, was vrijwillig naar Duitsland gegaan. Werkte bij een Anwalt. Mooi was ze.
TBC heb ik er ook gehad. Niets deden ze er aan, dankzij die zelfde anwalt en mijn Belgische vriendin, kwam ik in het ziekenhuis. Genas ik. “Stadtische Krankenanstalt”, voor mijn latere longenontsteking ben ik opgenomen in het “Sankt Josephstift”. Ook in het ziekenhuis was een voortdurende bewaking. Ik ben tot drie keer toe ernstig ziek geweest. Dit betekende niet dat ik niet naar mijn werk hoefde te gaan. Niet naar je werk gaan, betekende geslagen worden tot je op het werk was, of erger.
Mensen werden bedreigt en vermoordt. Geleden heb ik aan difterie, tyfus en longontsteking.
Ook was ik hoofd voedsel verdeling, voedsel verdween, op mij richtte ze het wapen. Ik wist van niks. Uiteindelijk geloofde ze me. Mocht ik verder leven.
De engelse bevrijdde ons, schoten mijn kameraad zo maar neer, hij luisterde niet en zij wisten het niet. Ik riep toch tegen hem dat hij moest blijven niet proberen over het hek te klimmen, hij deed het toch, de engelse zagen het verschil niet. Wat maakt het ook voor een verschil als je van uit Frankrijk naar Bremen gekomen bent in een oorlog, welk verschil maakt het dan of je mijn vriend doodschiet. Geen. Dat begrijp je.
Wat begreep ik dan nu, dacht ik kwaad, dat je afstompt, doodt en verderf zaait aan elke kant? Geen idee, zo zal het beslist gebeuren. Ik zei het hem niet, ik wist het, nee er bestaat dan geen verschil meer. Misschien later, voor je gevoel misschien, als je bij de goede hoort. Het is niet echt belangrijk of wel, de man verwarde mijn gedachten.
Een aalscholver dook in het water, kwam naar boven met een in de zon weerkaatsende zilveren vis die spartelde. De vogel vloog in scherpe bocht naar boven. De vis stevig vast klemmend.
ontmoeting met een aalscholver 1Ik wist dat de grootste kolonie in Nederland van aalscholvers in friesland huisde. Ze viste ver weg van hun broed gebied. Honderd kilometer of meer, was geen uitzondering. Fantastisch mooie vogel, vooral als ze langs de vloedlijn staan met hun vleugels uitgeklapt staan te drogen in de zon.
Hij landde aan de overkant. De vis slokte hij naar binnen. Zou de vis begrijpen of hij belangrijk was, deed het mij wat, dat die vis er aan ging als middel om de voedselketen, waar ik uiteindelijk van profiteerde, overeind te houden, zodat ik mij uiteindelijk verder kan bezinnen over het aangezicht van deze prachtige vogel, opdat hij het overleefd. Zijn jonge kan voedde, dood hij de vis, slikt hem naar binnen. Ik geniet van zijn bewegingen. Ik heb ze vanuit een boot dichtbij gezien, van een afstand is zijn vacht gelijk, van dichtbij, een zwakke maar duidelijk gelijnde schakering aan veren, in twee banen gelegd. Donker maar van kleur verschillend, bruin zwart en groen zwart.
Een moordenaar in schaapskleren. Die doodt om zijn kinderen te kunnen voeden. Alles voor instandhouding van de soort. Dat is alles wat er toe doet.
De man vervolgde plotseling zijn relaas. s`Avonds werden we onder bewaking weer teruggebracht naar onze barakken. We sliepen daar. Later toen de Engelsen het kamp bombardeerden hadden we geen plek om te schuilen. De bunkers waren aan het herrenvolk voorbehouden. Wij moesten het met houten planken stellen, zonder beschutting tegen de bommen. Er was geen mogelijkheid om vrij rond te lopen alleen in het begin, van mijn gedwongen verblijf in Duitsland.
De bewakers straalden een voortdurende dreiging van geweld uit. Ze pasten het ook toe; bijvoorbeeld wanneer ik even zou gaan rusten, ik zou meteen geslagen worden. Het kon ook nog erger ze dreigden of voerden het uit, al naar gelang hoeveel mensen er waren om de fabriek draaiende te houden, met het “Erziehungslager”. Als je daar naar toe gebracht werd, was het waarschijnlijk wel afgelopen met je. Uiteindelijk, dat begreep ik later, was het een mogelijkheid, waar iemand heen gebracht werd, dit als volgende stap in een intimidatie proces. Ik zag ook, dat als je toch terug kwam, dat je daar gebroken vandaan kwam en met niemand meer sprak.
De aalscholver startte zijn vlucht terug naar zijn jonge dacht ik. Daar zou hij dan het voedsel uit kotsen, zijn jonge zouden daardoor groeien. Je ziet ze eigenlijk overal. Ik herinnerde me wanneer ik ze voor het eerst zag, ik dacht dat ze zeldzaam waren, nu zie je ze bijna overal. Op de weg als je in een stroom langzaam rijdende auto’s zit langs het kanaal. Dan zie je ze boven op een lantaarnpaal zitten die de weg verlicht in de nacht.
Andere vormen van intimidatie, vervolgde de man, waren regelmatig terugkerende voorbeelden van wat er zou kunnen gebeuren met je als je niet dat deed wat de Nazi’ s van je verwachtte. Zo werden we bijv. gedwongen om naar mensen te kijken die werden opgehangen
Het eten en drinken was bijzonder slecht maar dat zei ik al. Soms werd ik ook bedreigd met een pistool op mijn gezicht met de vraag wie er voedsel had gestolen. Dat vertelde ik ook al, ook al was het in andere woorden. Ik herhaal het telkens weer, de laatste tijd word het erger. Vaker, intenser. Altijd heb ik gedacht je moet niet omkijken blijven lopen vooruit kijken. Achter me was iets. Nu loop ik niet meer zo snel, dat komt door mijn knieën. Die doen pijn, ouderdom zegt de arts, moet je mee leren leven. Daardoor komt het dichterbij en kan me niet meer ertegen weren. Dus herhaal ik het maar.
De aalscholver verdween uit mijn blikveld, het zon licht was fel en heet bleef het. De man had er net als ik last van. We zaten en we transpireerde beide.
We zijn lopend, Duitsland uit gegaan. Samen met een paar kameraden, ook Nederlanders. We stopten avonds bij de boeren. Hun vrouwen moesten dan ons te eten geven. We hadden alles wat eetbaar was of bruikbaar, meegenomen uit het kamp. Zij moesten het dan koken. Dat deden ze ook. We sliepen dan ergens in het hooi. In het westen van Duitsland, zijn we het land uit gegaan, Nederland binnen. Met een boot ben ik dan het IJsselmeer over gegaan. Van het rode kruis, in een bed uitgemergeld was ik. Nee, je hebt er geen vat op, mijnheer zei hij mij aankijkend. Ik knikte begrijpend en vertrok mijn mondhoeken naar beneden en liet de lucht uit mijn longen langzaam door die lippen sissen. Misschien wel een Aalscholver die fluitend naar beneden kwam, nabootsend. Het viel niet op, maar ik bleef betrokken kijken.
Ik heb de rest van mijn leven geprobeerd er niet aan te denken. Overdag ging dat wel, in de nacht niet, ik werd vaak zwetend wakker. Tijden waren er dat mijn vrouw me afdroogde midden in de nacht. Herinneringen, die altijd onverwachts opdoken legden een enorme druk als ze er waren. Drie kinderen heb ik of eigenlijk vier. De eerste is dood geboren. Mijn oudste dochter moest perse op de vierde mei naar Duitsland. Ik wilde haar deze reis verbieden maar stemde uiteindelijk er mee in. Je kan dat soort dingen niet verbieden maar ze begreep niet waar het om ging. Naar Berlijn wilde ze, naar Berlijn. Hij zuchtte. Mijn zoon had een relatie met een Duitse vrouw. In Portugal was hij haar tegen gekomen. Hij vertrok. Ik heb niets gezegd. Ik ging bij hem op visite, het was tenslotte mijn zoon. Ik was al vaker het land door gegaan. Naar Oostenrijk. Het was voorbij ook al bleef het bestaan. Nu komt het steeds vaker terug, ik moet er om huilen, verdrietig ben ik er door. Nooit meer oorlog denk ik wel, maar het vuurwerk is genoeg. Soms alleen al een vogel die naar beneden duikt. Een plotselinge klap. Ja mijnheer, of zoals nu hier op de bank. Waar u als vreemde zit en ik vertel.
Hij keek me aan als of hij me nu pas zag zitten. Een beetje beschaamd, keek hij me aan. Ik ga nu maar weer. Samen keken we een moment over de rivier, het water stroomde traag er door. Het leven onder de water spiegeling kon ik niet zien. Het was er, de Aalscholver had het bewezen. Hij haalde er een levende vis uit. Slikte die door en nam hem mee naar haar broed. Kotste het daar waarschijnlijk uit. De afstand speelde er niet zo een rol, ze voerde haar broed opdat de soort bleef voortbestaan en zich ontwikkelen kon. In het beter leren jagen, sneller een prooi waarnemen. Het snel kunnen doden. Zodat ze de soort in stand konden houden.
De man naast me stond op, een prettige dan maar verder en Liep met zijn wandelstok hompelend de dijk af. Vandaag was het een dag dat de zon aan me trok, de warmte hangen bleef. Deze zinderende warmte, je kon het zien. Ze maakte zich zichtbaar door te vibreren als je voor je uit keek Midden augustus en een van de warmste dagen van de maand. Niets, was voor de warmte een taboe.
Het bankje waar ik nog steeds op zat en uitkeek op een brede traag stromende rivier. Bij de boompjes aan de overkant was weer een aalscholver komen zitten. De uiterwaarden met zijn koeien even zo traag grazend, sommige zochten schaduw. Zo trok de rivier voort, samen met een boot, die zich zelf langzaam tegen de stroom in werkte.
Ik zag dat nu weer alleen zittend op dat bankje, samen met de schuld. We bleven er zitten.   Copyright © Marcel de Wit 2006